www.sannezurne.com

Toen ik afgelopen zomer tijdens mijn werk bij de VPRO een documentaire over Kiribati - toen nog nooit van gehoord - moest bekijken, had ik niet kunnen bedenken dat ik een half jaar later dit verhaal zou schrijven aan een tafeltje met uitzicht op een helderblauwe lagoon in Tarawa, het grootste eiland van Kiribati. Maar hier ben ik! En het overtreft al mijn verwachtingen en dromen. Ik begin bij het begin.

De reis begon in Londen, waar ik met Kees heen vloog om een paar dagen met mijn goede vriend Matt te spenderen. Het plan was dat Kees mij zou afzetten op Heathrow en zelf de trein terug zou nemen naar Amsterdam. Kees en Matt hadden elkaar nog niet ontmoet dus dat was leuk. We hadden een paar fijne dagen met zijn drieën. Vanaf Heathrow zou ik via Los Angels naar Fiji vliegen waar ik een paar dagen op het vliegtuig naar Kiribati zou wachten. Het was een goed plan; ik zou tijd hebben om aan het tijdverschil en de hitte te wennen. Daarna zou het echte werk beginnen: een drie uur durende vlucht over zee richting Tarawa. 

Helaas ging het allemaal niet zoals gepland omdat er iets aan de hand was met mijn visum voor Amerika. Ik zal nog even kort vertellen hoe het nou zat. Voor een overstap in Amerika heb je als Nederlander een digitaal visum nodig. Normaal vul je een online formulier in en ontvang je de ESTA zoals dat heet tien minuten later in je inbox. Bij mij ging dat helaas niet zo. Sterker nog, de status van mijn ESTA is tot op de dag van vandaag nog ‘in behandeling’’. Ik ben - weet ik nu - een risicogevalletje omdat ik in Irak ben geweest (voor werk, maar iedereen die Irak bezoekt is natuurlijk een potentiële terrorist). De tijd tikte en omdat ik dit soort dingen vaak pas in de week voor vertrek regel (mijn fout) moest er iets gebeuren. Na wat heen en weer gebel met de ambassade kwam de aap uit de mouw: mijn ESTA zou nooit goedgekeurd worden. Mijn beste kans was om een afspraak te maken met het consulaat voor een interview, en dan wellicht alsnog een visum. Maar daar was geen tijd meer voor. 

Er moest dus een plan B komen. Daar zaten we dan, aan de keukentafel in Londen. Matt aan de telefoon met zijn Amerikaanse diplomatenvrienden: is er echt geen mogelijkheid? (Nee dus) Kees zocht vluchten. Ik dronk een borrel. 

Maar natuurlijk kwam er een plan B: de volgende dag vloog ik niet linksom maar rechtsom de wereld rond. In plaats van een overstap in Los Angeles, werd het er eentje in Seoul, Zuid-Korea. Vanaf daar vloog ik verder naar Fiji. Het vergde wel wat mentale aanpassing om halsoverkop de andere kant van de aarde over te vliegen, maar gelukkig was het vliegveld in Seoul fantastisch en in de slaaplounge heb ik daar een heerlijk uiltje geknapt. 

Over Fiji houd ik het kort. Niet helemaal mijn eiland en mensen, bovendien behoorlijk overpriced. Ik hoor van veel mensen dat de kleine eilandjes leuker zijn dus wellicht is dat iets voor een volgende keer.

En toen was het eindelijk zo ver! In het vliegtuig naar Tarawa was ik samen met een Australische leraar en Taiwanese diplomaat de enige buitenlander. De landing was een bizarre ervaring: zoveel zee, en dan opeens een klein streepje land waarvan ik vanuit de lucht al kon zien dat elke meter volgebouwd was. En het wordt elk jaar minder hé. 

Mauri! - 'Hallo!' in het Kiribatiaans. Ik was gearriveerd. Op het vliegveld kwam ik direct in aanraking met de ‘doe het maar rustig aan, dan doe je al gek genoeg' mentaliteit van het eiland. Ik heb anderhalf uur - anderhalf uur! - gewacht op mijn koffertje, die niet netjes op een rolband tevoorschijn kwam maar door twee mannetjes naar binnen werd gedragen en op een grote berg koffers werdt gegooid. Ook waren de mensen van mijn accommodatie veel te laat dus stond ik daar in de hitte met mezelf. Thuiskomen is anders. 

Geen geld, geen bereik op mn telefoon. Die arme Kees zat thuis te wachten op mijn berichtje. Gelukkig was daar uiteindelijk Tereza, een bijzonder vriendelijke vrouw die me naar het volgende obstakel bracht: een tweehonderd meter brede overstroomde vlakte waar je met een brakke kano overheen moest om de accommodatie te bereiken. Dat was een beetje raar, maar nu ben ik het gewend en neem ik de kano-taxi elke dag. Het is briljant. Je betaalt 50 cent om door een oud mannetje naar de overkant gebracht te worden. Tijdens vloed, want als het eb is kan je lopen. Wel op slippers want er staat altijd een laagje water. Een Amerikaan die in hetzelfde hotel verblijft was ’not amused’ want hij had zijn nette schoenen en lange broek aan. Begrijpelijk, maar wel een beetje naïef. Voor mij is het altijd een beetje spannend omdat ik mijn camera bij me heb, de kano wil nog wel eens kantelen. Maar fingers crossed, het is mij nog niet overkomen.  

De rivier zoals ik het noem (eigenlijk is dus het een stuk land dat overstroomd tijdens vloed) bepaalt hier in Tarawa het ritme van de dag en zorgt soms voor uren vertraging. Maar daar liggen de Kiribatianen niet wakker van. Is het vloed en de kano-man doet zijn middag dutje? Dan moet je wachten. Staat er maar een meter water, dan gaat de kano ook niet. Dan is het lopen. Je kan maar beter een korte broek dragen. Zelf heb ik al meerdere malen de oversteek gemaakt tot aan mijn middel in het water, mijn camera boven mijn hoofd houdend. Eergister nacht ging ik met de mensen van de accommodatie naar een bar (een veredelde kantine met karaokeset, ik won ook nog een fles whiskey met de bingo waar ik niet van wist dat ik er aan mee deed maar oké, de hele bar kreeg natuurlijk een rondje) en omdat ik eerder naar huis wilde, kon ik de oversteek lopend maken. Mijn nieuwe vrienden bleven langer, en toen zij om 02:00  uur naar huis wilde, was er zee en dus moesten ze wachten. Uiteindelijk zag ik ze tijdens mijn ontbijt deze kant op komen lopen. ‘Omg, you just came back?’ ‘Yes, high tide, we had to wait!’ ‘I’m sorry, you must be so tired!’ ‘No, we sleep on the beach, its fine’. 

Het dorp waar ik het meest ben te vinden heet Buota. Dit dorp verdient sowieso al de hoofdprijs voor hilariteit omdat ze in een andere tijdzone leven. Ik heb al honderd keer geprobeerd uit te leggen dat het op de rest van Tarawa een uur eerder is, maar het komt niet door. Er gebeurt veel moois in dit dorp. Aan het hoofd van de familie staat een beenloze man genaamd Katoateu. (Suikerziekte. Ook heeft hij een pacemaker laten zetten in New Delhi - maar ‘Happy to be alive’, aldus Katoateu). Hij spreekt goed engels dus elke middag ga ik even bij hem op de koffie. Ook is er een extreem knappe tweeling waar alle meisjes verliefd op zijn. Een van die jongens kwam een paar dagen geleden naar me toe. ‘Sanna, please, can you follow me’? Onder het mom van er komt niet elke dag een mooie tweeling op me af besloot ik mee te gaan. Wat volgde was hilarisch. Ik volgde hem naar een geheim hutje waarvan ik het bestaan niet wist, vlak naast het volleybal veld. Binnen zaten vijf jongens in een kring op me te wachten: ‘Sanna, we like you very much. Would you teach us English please? We need to improve our English’. En zo komt het dat ik elke avond om vijf uur (voor hun dus zes) de geheime mancave betreed om vijf puberjongens Engelse les te geven. Aansluitend ga ik dan naar de zus van meneer Katoateu om dansles te volgen. Er is al een traditioneel danspak voor me in de maak. Kortom, ik kom hier niet meer weg. Het eiland is groter, maar ik vind het hier te leuk. 

Omdat ik zo snel een goede band met deze mensen opgebouwd had was het extra confronterend toen er gister een zogenaamde ‘King Tide’ ontstond. Goed voor mijn fotografie project, maar verschrikkelijk voor de mensen. Dit gebeurd maar een paar keer per jaar, en het is moeilijk te voorspellen. Ik was gezellig op de koffie bij meneer Katoateu toen er opeens heel veel water met een grote snelheid het dorp in kwam stromen. Het was geen tsunami, maar zo voelde het wel. Binnen tien minuten stond het hele dorp onder water. Het was verschrikkelijk. Mensen probeerden te redden wat er te redden viel maar omdat het water met zo’n grote snelheid kwam dreven er veel spullen weg. De varkentjes stonden tot hun snoetje in het water. Wij mensen tot onze knieën. Ik vond het erg confronterend. De mannen probeerden het elektriciteit kastje te redden maar natuurlijk was de stroom binnen een minuut uitgevallen. Ongeveer twee uur lang stond er een meter water, daarna werd het weer eb en trok het water langzaam weg. 

Het is verschrikkelijk om het huis van mensen onder water te zien staan. Het dorp is hun thuis, en wetende dat dit soort King Tides jaar erger worden maakte me verdrietig. Het is sowieso heel erg lastig om de mensen hier te confronteren met mijn kennis. Uiteraard ben ik beter geïnformeerd over de stand van zaken dan de mensen in het dorp. Veel mensen willen niet geloven dat hun thuis er op een dag niet meer is. Ik probeer het onderwerp daarom voorzichtig mogelijk aan te snijden om de mensen niet direct te confronteren met hun lot. Gister werd het me echter heel duidelijk dat de situatie niet houdbaar is. 

Ik ben er pas vijf dagen maar er is nu al zoveel gebeurd! Ik ben benieuwd wat de komende dagen me zullen brengen. 

Liefs!


Mauri!

Ook in mijn laatste week Kiribati: bizarre avonturen. Zo mocht ik niet meer werken omdat ik ben opgepakt door de immigratiepolitie. Daarover later meer. In ieder geval kreeg ik hierdoor de ruimte om eens iets anders te doen dan fotograferen.

Op de planning stond het nemen van een tattoo. Ik heb al vaker tattoos laten zetten in vreemde landen als Nepal, India en Cambodja. Zie het als een soort souvenir voor het leven.

Het idee was leuk, de uitwerking minder: dit was de ergste tattoo-ervaring uit m’n leven. Het ging zo: ik vroeg de jongen met de mooiste tattoo uit het dorp of hij mij in contact kon brengen met de man die zijn tattoo had gezet. De jongen - Taboo - wilde zelf ook wel weer iets nieuws dus daar gingen we, in de achterbak van een of andere vrachtwagen op weg naar Zuid-Tarawa. Tattooshops bestaan niet op Tarawa dus gingen we naar het huis - strohut - van de tattoozetter. Deze meneer lag heerlijk te slapen toen wij langskwamen en was niet van plan om binnen korte tijd iets op onze lichamen te zetten. Maar zo gaat het hier, dus hebben we lekker gechilld op het strand, een kokosnoot gedronken en wat te eten gehaald. Helemaal prima.

Uiteindelijk was het dan zover. Langzaam en met een gaap kwam onze man tevoorschijn. Zijn tattoo apparaat was een soort pen met naald die met draadjes aan een lampje vast zat voor de elektriciteit. Ik had er toen eigenlijk al van af moeten zien maar ik was te nieuwsgierig. Ik wilde de kaart van Tarawa op mijn arm. Symbolisch, want die kaart gaat er in de toekomst natuurlijk anders uitzien en zelfs verdwijnen. Hij was echter niet bekend met de kaart van zijn eigen land dus ik moest Google Maps erbij halen. ‘Ok, I make it now’ zei hij nadat hij één blik op mijn telefoon had geworpen en hup daar kwam zijn naald. Dus ik terwijl ik m’n arm weg trek: “Sorry, maar moeten we niet even een tekening maken? Heb je iets van desinfectiemiddel? Is dat trouwens een nieuwe naald?” Volgens Taboo was het een nieuwe naald. Dus nadat ik met een stuk zeep mijn arm schoongemaakt had en zelf met een pen iets had getekend konden we eindelijk beginnen. Wat volgde was helse pijn. Ik heb heel veel tattoos laten zetten maar deze pijn was echt van een andere orde. Telkens viel de stroom uit en dan zat die naald nog in mijn arm en moest hij hem eruit trekken. Het was niet te doen. En toen pakte die man een grijze steen en ging hij de naald slijpen.

‘What is he doing Taboo?’

‘Just make the needle sharp. The needle is not sharp’

‘I thought it was a new needle?’

‘Yes but your skin not good’

Volgens mij geloofde hij het zelf ook niet. Ik weet niet in hoeveel mensen die naald heeft gezeten maar ik was niet de eerste. Gelukkig viel na 5 minuten de stroom definitief uit en moesten we stoppen. Die avond bedacht ik me dat het misschien beter was die kaart toch maar niet te laten zetten. Dus nu heb ik van de kaart van Tarawa slechts één kilometer op mijn arm staan. Zie het als een voorbode.

Het ergste moment kwam echter de volgende dag. Zoals ik al zei wilde Taboo ook een tattoo. Dus wij terug naar de slapende man. Dit keer had hij zijn atelier verplaatst naar een hutje verderop waar de stroom beter was. Hier werd ik getuige van een gruwelijke tattoo ervaring. Taboo lag op de grond terwijl die man als een soort bulldozer over zijn arm ging. Hij ging veel te diep en te snel. Op gegeven moment viel het inktpotje om en zoog die man de inkt gewoon uit het plasje van de grond. Die jongen was aan het krijsen van de pijn. Zie foto.

Na een tijdje werd het stil. Taboo was bewusteloos geraakt. Dit is echt gebeurd. Ik schok me kapot! Ik trok hem bij die gast vandaan en schudde hem wakker. Na wat water was hij gelukkig weer de oude. Ik dacht dat we hierna zouden stoppen maar nee, ze gingen vrolijk door. Ik vond het allemaal verschrikkelijk dus heb hem vastgehouden en af en toe water over zijn gezicht gegoten, als de doods dat het nog eens zou gebeuren. Dit vonden de Kiribatianen natuurlijk heel grappig. Kennelijk gaat het altijd zo op Kiribati. In de rest van de wereld heeft zo’n machine verschillende standen en verschillende naalden - hier hebben ze één naald en elektriciteit. En dan is het raggen. Aan nazorg doen ze overigens ook niet. Taboo ging met zijn vieze arm gewoon vol de zon in. Toen we terug in Buota waren, zei ik dat hij zijn wond schoon moest maken en er crème op moest smeren. Maar dat was volgens Taboo niet nodig. Ik kon het niet aan dus heb met een fles water zijn arm staan wassen en hem daarna een potje vaseline gegeven - allemaal tot hilariteit van de dorpsbewoners. Ik denk niet dat hij het gebruikt. Sterker nog, zijn schouder was slechts een opwarming voor het echte werk; hij is de dag erna terug gegaan om een levensgrote slang op zijn been te zetten. Wat een gek. Ik houd het bij mijn streepje.

Ondertussen zat ik zo lekker in het eiland; de fotografie ging uitstekend en ik was bezig met het afronden van mijn serie. Helaas kwam daar abrupt een eind aan. Drie dagen voor vertrek kwam ik erachter dat de immigratiepolitie mij zocht. Ik ben op een toeristenvisum het land in gekomen dus toen ze me zochten wist ik meteen dat ik het bokkie was. Het probleem echter is dat het verkrijgen van een werkvisum lastig is, zeker als je een project gaat maken over klimaatverandering. De overheid van Kiribati zit er niet op te wachten en geeft weinig visa voor journalisten weg. Als je er een krijgt moet je duidelijk uiteenzetten wat je van plan bent en de overheid wil het materiaal zien voordat je het land verlaat. Als journalist is dat geen prettige manier van werken dus besloot ik om op eigen houtje te opereren. Achteraf gezien was dat naïef; als ze me aan het begin van mijn reis hadden gepakt had ik geen werk kunnen maken. Ook ben ik een bijzonder roekeloos persoon en dat werkt niet goed in zo’n situatie. Aan het begin van mijn reis was ik nog vrij discreet maar tegen het eind liep ik gewoon met mijn camera langs overheidsgebouwen enzo. Mijn eigen fout dus.

Maar goed, het ging zo: de immigratie politie vond me uiteindelijk in het cafe waar ik de vorige keer probeerde de cheese and onion sandwich te bestellen (geen ui op het eiland). Ik moest mee en wat volgde was een langdurende ondervraging en het in beslag nemen van mijn camera en paspoort. Ze waren ook in mijn hotel geweest dus ik was heel erg bang dat ze mijn laptop (met volledige backup van de afgelopen weken) in beslag hadden genomen. In dat geval zou ik geen fotomateriaal meer hebben. Het probleem was mijn werk over klimaatverandering. De foto’s waar water op stond werden uitgebreid bekeken - en uiteindelijk verwijderd. Na drie uur mocht ik gaan en ben ik héél erg snel terug gegaan naar mijn accommodatie waar ik gelukkig mijn laptop vond. Wel een beetje dom van ze, want elke fotograaf maakt natuurlijk backups. De volgende dag heb ik met behulp van de Nederlandse ambassade in Nieuw Zeeland (in Kiribati is geen Nederlandse ambassade) mijn paspoort en camera terug weten te krijgen. De foto’s waren verwijderd. Ik heb de backup van mijn foto’s veilig weten te stellen en ook het land mee uit kunnen nemen. Dus dat is erg fijn. Het is afgelopen met een sisser.

Waarom is klimaatverandering zo’n gevoelige kwestie in Kiribati? Je zou toch denken dat elke journalist die aandacht geeft aan het klitmaatprobleem meer dan welkom is. Ze hebben het nodig. De waarheid is verontrustend. Kort uitgelegd: de vorige president Anote Tong was een bijzondere man die goed geïnformeerd was. Hij was zich er van bewust dat als het klimaatprobleem niet opgelost wordt er in de toekomst geen Kiribati meer is om te leiden. Hij vloog de wereld over om in gesprek te gaan met grote leiders. Ook had hij een speciale rol tijdens de klimaatakkoorden in Parijs. Helaas - ik breng het nu even heel kort door de bocht - lag zijn focus hierdoor te weinig bij het oplossen van de dagelijkse problemen in Kiribati. Denk aan een tekort aan banen, vervuild drinkwater en slechte gezondheidszorg. Veel Kiribatianen zijn zich niet bewust van de noodsituatie en voelden zich in de steek gelaten. Kiribati is een democratie en dus is in 2014 een nieuwe president gekozen die de bevolking beloofde prioriteit te geven aan binnenlandse kwesties. Het klimaatprobleem wordt nu vooral op nationaal niveau bevochten; er worden dijkjes gebouwd en ze proberen de kwaliteit van het drinkwater te verbeteren. Ondertussen stijgt de zee. En die dijkjes heb ik gezien, die houden het water niet tegen.

De slogan van Kiribati is tegenwoordig ‘we’re not drowning we’re fighting’. Volgens wetenschappers kan Kiribati alleen leefbaar blijven als de zee nu stopt met stijgen. Iedereen weet dat het niet stopt; het wordt alleen maar erger. Die slogan gaat dus mooi niet op. Helaas valt een koers van ‘fighting day to day’ moeilijk te varen als de hele bevolking weet dat ze op een een moment zullen ophouden met bestaan. Reden voor de overheid om het journalisten moeilijk te maken en mij op te pakken. Ik hoorde van een Australische dokter dat er vorig jaar vijf Duitsers die voorlichting kwamen geven over het lot van het eiland naar huis werden gestuurd. En zo zijn er nog meer voorbeelden. Twee documentairemakers uit Engeland mochten hun werk ook niet afmaken. Het lijkt erop dat de ondergang van het land een verboden onderwerp is.

Kiribati is daarin een goed voorbeeld van de rest van de wereld en diens onmacht om de realiteit van de toekomst onder ogen te zien. Op de een of andere manier, op een bepaald moment, hebben de Kiribatianen besloten dat ze niet gaan zinken. Nergens op de wereld zijn de gevolgen van klimaatverandering zo duidelijk te zien als in Kiribati. Hoe kunnen ze het probleem ontkennen? Het is een sterk gegeven; het lijkt zo stom - het gebeurt voor hun ogen en toch leven de Kiribatianen alsof er niets aan de hand is. Maar overkomt ons niet hetzelfde? Wij elimineren plastic tasjes en lezen dagelijks stukken over klimaatverandering in de krant. We trekken het ons aan. Ondertussen vliegen we overal heen, rijden we in onze auto en eten we vlees. Ook wij bevechten klimaatverandering van dag tot dag. Als we de wereld willen houden zoals ze nu is, moeten we direct stoppen met alles wat we doen maar dat kunnen we niet: onze hersenen zijn niet in staat het grotere plaatje te zien, of althans, om er naar te handelen. In dat opzicht hebben wij als Nederlanders meer te maken met Kiribati dan we denken. We zitten allemaal in hetzelfde schuitje. Het ene schuitje zinkt wat eerder dan het andere, maar uiteindelijk ontkomt niemand aan de realiteit.

Tijdens mijn bezoek aan die dijkjes kwam ik in gesprek met Madas. Hij begreep goed wat er aan de hand was en ik vroeg hem hoe het nou zat met dat dijkje, want het zag er niet goed uit. Hij zei: “You live in The Netherlands, right? Do you want to believe your home wont be there in the future? We can’t imagine that. That’s why we fight day to day’.” 


Vorige keer eindigde ik mijn bericht met de King Tide in Buota, het dorp waar ik verblijf. Helaas herhaalde het hele tafereel zich een dag later nog een keer. In tegenstelling tot de vorige keer was men dit keer niet in paniek. Iedereen had zich goed voorbereid. Ik natuurlijk niet, dus sleepte ik mezelf nog maar een keer vol verbazing door het water, tot groot genoegen van de dorpsbewoners. Ze vinden me sowieso een hele show; er komt niet elke dag een westerse vrouw op bezoek.

De King Tide hangt af van de maan. Bij volle maan is de vloed erger dan bij een halve. Intussen is de maan gehalveerd en dus is de rust ook terug gekeerd in Buota. De jongens spelen weer volleybal en het beenloze dorpshoofd Mr. Katoateu rolstoelt tevreden door de straten. Zoals het er nu uit ziet is het aankomend weekend weer bal. Ik vertrek maandag, dus we zullen zien.  

Wat de bevolking niet doorheeft maar wat wel degelijk aan de hand is, is dat bij elke King Tide het eiland een beetje meer verzilt. Ik zal even uitleggen hoe dat gaat want dat is de kern van het probleem in Kiribati. In tegenstelling tot wat veel mensen denken is het niet zo dat de zee elk jaar meters hoger wordt en het land opslokt. De zee stijgt per jaar maar een paar millimeter. Dit, in combinatie met teveel c02 in de lucht - zorgt voor extremer weer, zoals tropische stormen en hogere vloed. Vergelijk het met de heftige hittegolf in Nederland afgelopen zomer. Ons land kan zoiets prima aan, maar Kiribati is als atol extreem kwetsbaar. Tijdens de King Tide krijgt het zeewater de kans om zichzelf lekker in de grond te zuigen. Een palmboom overleeft niet op zout water dus gaat langzaam dood. Het fundament van het eiland zijn wortels van bomen en planten. Als er geen wortels meer zijn is er slechts nog zand en zand wordt weg gespoeld door de zee. Herhaal dit tafereel tientallen jaren en je hebt geen eiland meer over. Natuurlijk is er dan nog het rif, maar zoals iedereen weet wordt het koraalrif wereldwijd extreem bedreigd en zal er over tien jaar bijna niets meer over zijn. Bovendien groeien er geen planten op een rif.

Hoe uit zich dat in de praktijk? Overal op Tarawa liggen dode palmbomen. Mr. Katoateu vertelde me dat zijn huis vroeger in een kring van plambomen stond. Nu staat er nog één, maar ook die is langzaam het loodje aan het leggen. Hij hangt als een soort olifantenslurf over het water. Ook is het water uit de bronnen vies en zout. Duizenden mensen zijn afhankelijk van dit water. Ik drink het niet want ik weet zeker dat ik dan ziek word. Maar de mensen in Buota drinken het wel.

Het grootste probleem echter is dat het land al tien jaar niet meer geschikt is om groente en fruit te verbouwen. Te zout. Voor een natie die afhankelijk is van particuliere landbouw (de meeste mensen hebben geen geld; ze vissen of slachten zo nu en dan een kip) is dat een groot probleem. Er wordt bijna geen fruit geïmporteerd want niemand heeft geld om het te kopen. Het land leeft dus zonder groente of fruit, echt waar. Zoals iedereen vast kan begrijpen, heb ik hier last van. Ik wist het - ik had me voorbereid - maar na een week ‘red snapper’, rijst, een sporadisch stukje pompoen en ’s ochtends één gebakken ei was ik het zat. Ik had héél erg behoefte aan een banaan. En zo kwam het dat ik mezelf vorige week van de linkerkant van het eiland naar de rechterkant sleepte en weer terug, en weer heen, en weer terug, op zoek naar iets gezonds. Mijn zoektocht begon in mijn accommodatie. ‘Tian, do you have papaya?’ ‘Im sorry Sanna, no papaya today, maybe next week’. Oke. Dan maar met de kano taxi naar Buota, daar is een klein winkeltje. Op de vraag of ze fruit hadden kreeg ik dit antwoord: 

‘Sanna, I don’t onderstand this word, can you explain to me what is this?’

‘Don’t worry Taboo, I’ll just have a bottle of water’.

‘I’m sorry Sanna, no water today’.

Omdat er vanaf Buota bijna geen bussen naar het meer ontwikkelde Zuid Tarawa gaan (iets met het gebrek aan een geasfalteerde weg) is het erg lastig om er te komen. Maar ik had een doel - vitamines - dus ik was vastberaden. Vol moed begon ik in de hitte aan mijn voettocht die uiteindelijk twee en een half uur zou duren. Ik werd vergezeld door Taubuki, een vriendelijke jongen die erg geïnteresseerd is in wat ik hier kom doen. Daarover later meer.

Na een uur wandelen met een brandende zon in mijn rug dacht ik dat ik flauw ging vallen dus eiste ik een stop. Volgens Taubuki was dat geen goed idee want we waren nog niet bij de bushalte. Ik vroeg hem wanneer die bushalte dan eindelijk in zicht zou komen en hij antwoordde dat het niet ver meer was, waarop ik hem er vriendelijk op wees dat hij dat een half uur geleden ook al had gezegd. Oké, even een pauze dan. Taubuki opende zijn rits en deed voor mijn neus een plasje. Ik was met stomheid geslagen. Ik was teveel in shock om het er met hem te over hebben, maar bedacht me later dat de meeste mensen op Tarawa geen toilet hebben. Voor een atol van 70km met met een populatie van 30.000 mensen lijkt mij dit een groot probleem. Maar goed. Na het plasje zetten wij onze tocht voort richting bushalte, en Taubuki had gelijk, de bushalte kwam snel in zicht.

Een bushalte betekent echter niet dat er ook daadwerkelijk een bus komt. We hebben een uur gewacht. Doorweekt van het zweet en kapot van de reis begon ik me zorgen te maken over de terugweg. Als het al onmogelijk was om onze bestemming te bereiken, hoe zouden we dan ooit terug komen? Ik had ook geen water meer. Toen gebeurde er iets wat ik nog steeds niet kan bevatten. Vanuit een stofwolk verscheen er verderop een pick-up truck met twee mannen aan het stuur. Hé, zei Taubiki, my friend! Kom, we kunnen achterin de bak. De truck kwam uit Buota, het dorp waar wij net vandaan kwamen. Mijn hersenen knoopte de eindjes aan elkaar. We hadden dus gewoon in Buota kunnen blijven, een kokosnoot kunnen drinken, een potje volleybal kunnen spelen of in alle rust een kopje koffie kunnen drinken bij Mr Katoateu. Daarna zou er een vrachtwagen richting Zuid-Tarawa gaan die ons mee kon nemen. Maar in plaats daar van hebben we eerst een uur in de hitte gelopen en daarna nog eens een uur in een nep bushalte zitten wachten op een bus die niet kwam. Ik heb geprobeerd dit bespreekbaar te maken maar ik word niet helemaal begrepen. Laten we het op een cultuurverschil houden. Ik had in ieder geval weer iets geleerd: ga nooit naar de bushalte; wacht in het dorp op een lift. 

Onze eerste stop in Zuid-Tarawa was de grote supermarkt. Ik liep langs schappen vol met blikjes ‘corned beef’ (een plaatselijke delicatesse) en ‘canned tuna’. In de vriezer lagen stapels ‘Ice Blocks’, suikerwater in een zakje, iedereen drinkt het hier. Ook waren er heel veel soorten zakken chips, noodles, cola, zakken rijst en héél veel snoep. Maar geen fruit. Volgens de vrouw aan de kassa had de kiosk verderop soms een tros bananen. Dus wij naar de kiosk. Wederom een tocht door de hitte. Geen bananen. Was er geen markt op dit eiland? Als ik aan een markt denk denk ik aan verse levensmiddelen, brood, vlees en vis, etc. De markt waar wij uiteindelijk terecht kwamen was er een met kokosnoten en rijst. Ik zag het nut van deze markt niet in; dit kon je ook allemaal in de supermarkt kopen. Het was een treurig gezicht. Als er op een markt geen fruit is, waar dan wel? Taubuki wist het ook niet. Sterker nog, ik moest hem het begrip ‘fruit’ en ‘vegetable’ uitleggen.

Toen bedacht ik iets geniaals (vond ik zelf). Als ik nou eens naar een westers cafe ga en daar een salade bestel. Zoals in elk land zijn er ook op Tarawa een handjevol westerse georiënteerde koffietentjes waar expats of overheidsfunctionarissen op hun laptop aan het werk zitten. Daar stond vast iets gezonds op de kaart. Ik vond het een win win situatie: ik zou ook een espresso kunnen drinken (de eerste in twee weken).

Mijn bezoekje aan the ‘Chatterbox cafe’ met Taubuki zal ik niet snel vergeten. Die arme jongen had nog nooit koffie gedronken, laat staan in een ruimte met airconditioning. Maar ik vond dat ik hem mijn dagelijkse heilige graal niet kon ontnemen, dus bestelde ik twee kopjes espresso. De kaart zag overigens er heerlijk uit. Grilled chicken salad, ceasar salad. Dit werd een succes. Maar het bleek valse hoop; ze hadden geen salades meer.

‘Can I have the cheese and onion sandwich then’?

‘Yes. Only today no onion miss’.

‘Ok, do you have the cheese and tomato sandwich’?

‘Oh I’m sorry miss, no tomato’.

‘So what do you have?’

‘We have a tuna sandwich’

‘I’ll have two espresso and a brownie please’.

Het espressomoment was hilarisch. Taubuki voelde zich al niet op zijn gemak tussen al die witte mensen en toen het kleine kopje voor zijn neus werd gezet kon hij niet bevatten dat ik bereid was vier dollar daarvoor te betalen. Het ging als volgt:

Taubuki kijkt met grote ogen naar zijn kopje. Ik neem mijn eigen kopje in mn hand en ruik de koffie. Kijk Taubuki, koffie is iets heiligs voor mensen in Nederland. Eerst ruik je er even aan, dan neem je langzaam een klein slokje. En dan geniet je! Een bedenkelijk gezicht. Taubuki neemt een slokje. Zijn gezicht verandert nu in een vies gezicht. Hij kijkt me vragend aan. Drink maar op, zeg ik. Oké, zegt hij. Hij drinkt het op, zet het kopje neer, en kijkt me aan: ‘Four dollar’? Tot zover onze zoektocht naar bananen.

Afgelopen zaterdag ben ik met de manager van mijn accommodatie mee boodschappen gaan doen. Ik legde hem uit dat ik heel erg graag een stukje fruit wilde kopen. Hij zei dat we het konden proberen, maar dat de kans klein zou zijn. Toen kwam de aap uit de mouw. Eens per maand levert Coral Ways een cargo met levensmiddelen en als het op is, is het op. Kennelijk zaten we nu in een week van schaarste. Uiteindelijk vonden we een zak papaja’s. Ik eet nu bij het ontbijt elke ochtend een halve papaya. Mijn probleem is hiermee opgelost. Het probleem van de bevolking echter niet. Ik kan me maar moeilijk voorstellen dat de overheid niets aan voorlichting doet. Waar is de schijf van vijf van Kiribati? Boeren kunnen hun beroep niet meer uitoefenen op Kiribati en fruit en groente verdwijnt langzaam uit het leven van de mensen. De jeugd groeit op met het idee dat groente en fruit geen essentieel onderdeel uitmaken van het dagelijkse voedselpatroon. Sterker nog, de meesten kennen het woord fruit of groente niet eens. Ik zie het zelf ook. De mensen zien er oud uit. Overal waar ik kom kunnen mensen maar niet geloven dat ik al 30 jaar ben. Mijn huid ziet er beter uit. Het is klimaatverandering op z’n slechts.. Hoe moet het verder? 

Ik vroeg het Taubuki, de jongen die met me mee ging op voedselzoektocht. Hij zei dat hij zeker weet dat zijn dorp over tien jaar niet meer bewoonbaar is. Ik ben geen wetenschapper, maar als ik zo om me heen kijk geloof ik hem. Hoe kan je leven in een huis dat wekelijks overstroomt? Op land dat onvruchtbaar is? Hij beseft zich dat er geen toekomst is voor hem en hij wil weg. Maar waarheen? Tot dusver is er nog geen land bereid de bevolking op zich te nemen. In 2015 was er een meneer van Kiribati die de vluchtelingenstatus voor klimaatverandering aanvroeg bij Nieuw Zeeland. Hij werd natuurlijk afgewezen, maar het was een interessante kwestie omdat het een voorbode is voor wat er gaat komen. Het land zal misschien nog tientallen jaren bestaan, maar op een eiland met alleen zout water valt natuurlijk niet te leven. Ooit gaat het hek van de dam.

Ondertussen chillen de Kiribatianen vrolijk door. Ze lijken zich niet helemaal te beseffen wat er aan de hand is en zijn vooral bezig met hun dagelijkse strijd tegen de zee. Je zou denken dat dit heel erg verdrietig is maar ik vind het een verlichting. Als je toch geen toekomst hebt, waarom dan niet dansend ten onder gaan? Ik probeer dit ook in mijn fotografie te vatten. Elk hutje heeft een speaker en ’s avonds gaat de muziek aan. Telkens hetzelfde liedje op repeat. Het is wel een beetje irritant maar ik vind het zo grappig dat ik het ook wel kan waarderen. In de bus probeer ik onopgemerkt de volume knop naar links te draaien. Mijn oren kunnen het niet aan. Ik neem de gewoonte langzaam over: als ik naar het toilet ga bijvoorbeeld neem ik mijn telefoon mee en draai ik Kendrick Lamar. Niemand kijkt me er op aan, iedereen vindt het gezellig. Tijdens mijn loopje naar het toilet krijg ik begripvolle knikjes. Afgelopen weekend ging ik mee naar een cava bar met een oud mannetje die persé biljart met me wilde spelen. Hij vroeg me: ‘Sanna, do you play biljart?’ ‘Uhm yes?’ Sprankelende ogen. Weg was hij. Even later kwam hij terug, met zijn eigen keu. Ik moest en zou meegaan naar de bar. In de cava bar beleefde ik vele avonturen en werd het me nog duidelijker hoe gezellig de Kiribatianen het kunnen maken, maar daar schijf ik de volgende keer over.


x!

Built with Berta.me